maandag 22 januari 2018

Het zelfreflecterend vermogen van Veilig Thuis

Menig ouder die met jeugdzorg te maken heeft gehad zal het herkennen als men jeugdzorgwerkers typeert als ongeveer alwetend, overtuigd van hun eigen gelijk en vooral geen zelfreflectie hebbend over hun eigen handelen. Gewetenloos worden gezinnen geruïneerd, kinderen gescheiden van hun ouders en wat dit bij met name de kinderen aanricht, daarvan heeft men geen enkel idee.Gelukkig staan ouders nu niet meer alleen: medisch tuchtcolleges zijn inmiddels ook die mening toegedaan, met name over het 'eigen gelijk van jeugdzorg', maar niet heus....

In het artikel 'Oorlog met Veilig Thuis' was de aankondiging gedaan van de tuchtklacht tegen mw. Raat. Inmiddels is er een zitting geweest van het Regionaal Tuchtcollege te amsterdam op 12-1-2017, waarbij zowel mw. Raat als de kinderarts van het WKZ terechtstonden. RTV-Utrecht maakte een verslag van die zitting. Ik ben zo vrij om de tekst hier onder aan te halen (RTV-Utrecht vraagt immers niet voor niets om dit artikel te delen! Ik doe het graag!) 
1/3
GESCHREVEN DOOR REDACTIE
UTRECHT - Twee Utrechtse artsen moesten zich vandaag verantwoorden voor het Medische Tuchtcollege in Amsterdam. De twee worden er van verdacht de familie Leek ten onrechte te hebben beschuldigd van het expres ziek maken van hun zoon Tibbe.
De zaak speelt sinds het voorjaar van 2017. Het jonge zoontje van de familie Leek werd ernstig ziek. Kinderartsen van het WKZ snapten niet precies wat er aan de hand was. En toen in de zomer de situatie plotseling verslechterde werd er contact gezocht met Veilig Thuis Utrecht, het voormalig meldpunt kindermishandeling. 
Er was sprake van onverklaarbare complicaties. Vertrouwensarts mevrouw R. nam de melding aan. Zij dacht direct aan PCF of Munchausen by Proxy. Dat is een aandoening waarbij kinderen bewust ziek gemaakt worden door hun ouders.
Naderhand bleek dat Tibbe een ernstige darmafwijking heeft, en dat PCF onwaarschijnlijk is. Toch hield mevrouw R. vol dat er sprake was van PCF. Daarop startte de familie Leek een tuchtprocedure tegen de twee artsen.
Ze beschuldigen mevrouw R. er van dat ze zeer onzorgvuldig is geweest bij het samenstellen van rapportages. Ook zou ze ontlastende verklaringen uit die rapportages hebben weggelaten. 
Volgens de advocaat van de familie Leek is R. daarbij zeer vooringenomen te werk gegaan. Zij ging er vanuit dat sprake was van PCF en stond op geen enkele manier open voor andere oorzaken van de ziekte van Tibbe. Ook is de familie Leek boos dat R. in een vroeg stadium een melding heeft gedaan bij de politie. En tenslotte hebben ze een klacht ingediend omdat mevrouw R. intimiderend te werk zou gaan.
De moeder van Tibbe raakte licht geëmotioneerd toen ze aangaf dat mevrouw R. bij voortduring haar verhaal verandert. Van één gesprek zouden maar liefst zes verschillende verslagen zijn. Ook maakt zij zich boos omdat R. in een stiekem opgenomen gesprek zegt dat ze hoopt dat er in het ziekenhuis iets ernstigs met Tibbe zou gebeuren zodat ze PCF zou kunnen bewijzen. 
Tegelijkertijd moest mevrouw W. zich verantwoorden. Zij is kinderarts in het WKZ, en zij was lang de behandelend dokter van Tibbe. De familie Leek neemt haar kwalijk dat zij een - in hun ogen - onterechte melding heeft gedaan bij Veilig Thuis. Bovendien zou ze haar beroepsgeheim hebben geschonden, en onzorgvuldig haar dossiers hebben beheerd.
Vertrouwensarts R. liet tijdens de zitting blijken zich van geen kwaad bewust te zijn. Zij en haar advocaat waren vooral boos dat de Leeks stiekem gesprekken hebben opgenomen. In één van die gesprekken werden zij en een collega aangeduid als 'dozen'. 
R. toonde geen moment enige zelfreflectie, op geen enkel moment bleek dat ze het idee had dat ze iets fout gedaan had of een foute afweging had gemaakt. De ontstane situatie lag vooral aan de Leeks zelf, of aan een computerprogramma waarmee ze moet werken.
Kinderarts W. gaf aan erg met de zaak in haar maag te zitten. Zij had het idee dat ze een goede band met de Leeks had. Zij benadrukte meerdere keren dat ze niet anders kon dan de melding bij Veilig Thuis doen, maar dat ze steeds is blijven twijfelen of er sprake was van PCF. Ze benadrukte tijdens de zitting meermalen dat ze nu nog steeds niet beweert dat de Tibbe PCF heeft.
Het tuchtcollege doet binnen zes weken uitspraak over de twee artsen.

Reageren op dit bericht? Mail naar nieuws@rtvutrecht.nl. (arcering en onderlijningen door N.M.)


In bovenstaand verslag is de mening over mw. Raat die van de verslaggever van RTV-Utrecht. RTV Utrecht heeft overigens meer aandacht aan Veilig Thuis en hun beschuldigingen besteed. Zie hiervoor bijvoorbeeld   "Utrechtse Politiek wil af van Veilig Thuis-affaire" (zie ook de linken onder het artikel!)    en over de valse beschuldigingen: "Veilig Thuis verwerpt kritiek op het onterecht beschuldigen van ouders"

Een ander oordeel is onlangs geveld door een Regionaal Tuchtcollege over de kinderarts mw. dr. A. Teeuw, specialist kindermishandeling die op 17 januari j.l. Promoveerde op een onderzoek naar methodiek om kindermishandeling te diagnoseren. Zij kwam daarbij tot de volgende conclusie, aldus de website van de Nationale Zorggids:
Kinderarts Arianne Teeuw vindt dat alle spoedeisende hulp afdelingen een gecombineerde screening op kindermishandeling zouden moeten toepassen, hoewel dat ook meer onterecht positieve scores oplevert. Dat stelt zij op basis van onderzoek waarop zij op 17 januari promoveert (per hoofdstuk te downloaden / N.M.) aan de Universiteit van Amsterdam, zo meldt het ministerie van volksgezondheid. 
Teeuw onderzocht het screeningsprotocol voor kindermishandeling op de spoedeisende hulp (SEH) van het AMC. Deze schrijft een lichamelijk onderzoek voor en toepassing van de SPUTOVAMO-checklist. Dit is een vragenlijst die signaleert of het letsel van een kind aanleiding geeft tot argwaan. Het verdient volgens Teeuw de aanbeveling beide methodes te combineren, aangezien het regelmatig voorkomt dat een mishandeld kind slechts op een van de twee screeningsmethoden positief scoort.
Haar onderzoek wijst uit dat het combineren van beide screeningstesten het aantal positieve testen aanzienlijk verhoogt. Bij achterwege laten van het lichamelijk onderzoek, de zogenoemde top tot teen inspectie (TTI), zou 5,8 procent van het aantal kinderen met een definitieve diagnose kindermishandeling niet zijn herkend.
Teeuw constateerde op de Nederlandse SEH’s een grote variatie aan methoden van screening, waarbij de empirische onderbouwing grotendeels ontbrak.
Door: Redactie Nationale Zorggids  (onderlijning en arcering door N.M.)


Uit het dankwoord blijkt dat deze mw. dr. Teeuw samenwerkte met Veilig Thuis (mw. Schoonenberg / zie uitzending van Zembla in het artikel 'Oorlog met Veilig Thuis').
Ook zal Veilig Thuis haar dankbaar zijn: als men haar methodieken toepast, komen er meer 'vals positieve' meldingen over kindermishandeling: dus extra basis voor valse beschuldigingen naar ouders toe én meer geld voor Veilig Thuis c.q. de jeugdzorg-industrie!

Erger is echter dat zij kennelijk ook de werkwijze van Veilig Thuis overneemt en zelfs de hele houding. Een en ander bleek uit de recente veroordeling van mw. Teeuw van het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam, waar zij zelfs een berisping (= ernstige waarschuwing) voor kreeg. Wat zij verkeerd deed is na te lezen in de uitspraak van 19-09-2017 .
Voor de duidelijkheid kopieer ik ook hier de complete en openbare tekst:


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 22 februari 2017 binnengekomen klacht van:
A,
wonende te B,
k l a g e r,
gemachtigde: mr. L. van den Puttelaar, advocaat te Rotterdam;

tegen C,
kinderarts,
werkzaam te B,
v e r w e e r s t e r, gemachtigde: D, verbonden aan het E.

1. De procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
-het klaagschrift met de bijlagen;
-aanvullende bijlagen bij het klaagschrift;
-het verweerschrift met de bijlagen;
-de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;
-brief van de gemachtigde van verweerster van 12 september 2017.

De klacht is op een openbare zitting behandeld.
Partijen waren aanwezig. Klager werd bijgestaan door mr. van den Puttelaar, voornoemd,
en verweerster door D, voornoemd. Beiden hebben een toelichting gegeven aan de hand van pleitaantekeningen die aan het college en de wederpartij zijn
overgelegd.

2.De feiten
2.1 klager is de vader van F, geboren maart 2011 (hierna: minderjarige). Verweerster is kinderarts sociale pediatrie in het E te B (hierna: E). Zij is expert op het gebied van
kindermishandeling.

2.2 Klager en G, de moeder van de minderjarige, zijn uit elkaar gegaan toen de minderjarige acht maanden oud was. Zij hebben samen het ouderlijk gezag over hun dochter. Er is sprake van een vechtscheiding.

2.3 De minderjarige woont bij haar moeder en haar nieuwe partner. De rechter heeft een omgangsregeling vastgesteld waarbij de minderjarige drie dagen en één nacht per week bij klager verblijft.

2.4 Op 21 november 2015 is het bezoekmoment tussen klager en de minderjarige vroegtijdig en onplezierig beëindigd.

2.5 Op 23 november 2015 werd klager door de huisarts gebeld dat de moeder van de minderjarige klager beschuldigt van seksueel misbruik. De huisarts heeft de minderjarige vervolgens verwezen naar het E voor onderzoek wegens verdenking van seksueel misbruik. 

2.6 Op 1 december 2015 is de minderjarige door verweerster lichamelijk onderzocht. Tijdens dit onderzoek werden zogenoemde lichtfoto’s gemaakt. Collega H heeft de minderjarige vervolgens orthopedagogisch onderzocht. Ook werd die dag aanvullend onderzoek verricht naar een beperkt aantal seksueel overdraagbare aandoeningen. I was op dat moment ook al ingeschakeld. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft verweerster een brief (hierna: ook aangeduid als verslag) opgesteld voor de huisarts waarin haar bevindingen en die van haar collega staan beschreven. De conclusie in de brief luidt als volgt:

Seksueel misbruik is op grond van het orthopedagogisch onderzoek waarschijnlijk.
Moeder en nieuwe echtgenoot geadviseerd zo spoedig mogelijk aangifte te doen bij de
politie.
In verband met het niet verstoren van het mogelijk politieonderzoek biologische vader niet ingelicht over dit consult. Dit is afgestemd met J, lid medische directie.
HA telefonisch op de hoogte gebracht.
VT (VA K), telefonisch op de hoogte gebracht.

TC 4-12 met deze ouders, tel. huidige echtgenoot L (..). Deze
ouders geïnstrueerd suggestieve vragen en napraten over het gesprek met H te vermijden”.

2.7 Op 11 december 2015 heeft klager telefonisch en schriftelijk verzocht om het rapport (brief aan de huisarts) te mogen inzien. Verweerster heeft dit verzoek tot inzage en afschrift afgewezen wegens lopend politieonderzoek.

2.8 Op 18 december 2015 heeft klager op verzoek van verweerster toestemming gegeven voor een verwijzing van de minderjarige naar de M, N.

2.9 Op 13 januari 2016 heeft klager nogmaals verzocht om het rapport over de minderjarige. Verweerster heeft klager op 15 januari 2016 geantwoord dat hij de brief aan de huisarts pas kon krijgen na het politieonderzoek.

2.10 Op 26 februari 2016 heeft verweerster, nadat zij op 12 februari 2016 had vernomen dat het politieonderzoek was afgerond, de brief per post aan klager doen toekomen.

2.11 Op 31 oktober 2016 heeft verweerster een brief ontvangen van de gemachtigde van klager met enkele vragen over het onderzoek van 1 december 2015.

2.12 Op 30 november 2016 heeft verweerster schriftelijk gereageerd op de vragen van klager.

2.13 Op 23 december 2016 heeft de gemachtigde van klager hierop inhoudelijk gereageerd. In deze brief stelt klager zich op het standpunt dat verweerster op basis van het onderzoek niet tot de conclusie had kunnen komen dat seksueel misbruik waarschijnlijk was. Ook wordt de objectiviteit van het onderzoek in twijfel getrokken.

2.14 Hierna heeft klager op 22 februari 2017 een klacht ingediend bij het tuchtcollege.

3. De klacht en het standpunt van klager
Klager verwijt verweerster dat zij ondeugdelijk onderzoek heeft verricht en een onzorgvuldige rapportage heeft opgesteld die niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Het onderzoek is volgens klager ondeugdelijk en de rapportage is onzorgvuldig opgesteld omdat:
1) het rapport geen blijk geeft van een geschikte methode van onderzoek om de voorliggende vraagstelling te beantwoorden;
2) de conclusies zijn gebaseerd op eenzijdige informatie. In het rapport wordt bovendien niet op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies in het rapport steunen.

4.Het standpunt van verweerster
Verweerster heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5. De beoordeling

5.1 De klachtonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Ze hebben beide betrekking op de totstandkoming en de inhoud van het verslag van 1 december 2015.

5.2 De klacht betreft het verwijt aan verweerster dat zij onzorgvuldig onderzoek heeft verricht en een onzorgvuldige rapportage heeft opgesteld die niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Bij de beoordeling van de klacht heeft het college onder meer de
KNMG-richtlijn Omgaan met medische gegevens (september 2016), de NHG-Richtlijn informatie-uitwisseling tussen huisarts en specialist bij verwijzingen (2008) die op dit moment wordt gereviseerd door het Nederlands Huisartsen Genootschap en de Federatie van Medisch Specialisten en de Richtlijn ‘Diagnostiek bij (een vermoeden van) Seksueel Misbruik bij Kinderen’ betrokken.

5.3 Het college stelt allereerst vast dat in het verslag aan de huisarts zowel de bevindingen van verweerster als van de orthopedagogisch specialist kindermishandeling staan. Verweerster voert als verweer dat de klacht zich voornamelijk richt op het orthopedagogisch onderzoek dat niet door verweerster, maar door de orthopedagogisch specialist is uitgevoerd. In het verweerschrift verklaart verweerster zich niet primair verantwoordelijk te achten voor het orthopedagogisch onderzoek. Het college is met klager van oordeel dat verweerster door de wijze waarop zij het verslag heeft opgemaakt en haar ondertekening ervan de conclusies van het orthopedagogisch onderzoek heeft overgenomen en tot de hare heeft gemaakt. Hierdoor is zij ook (mede)verantwoordelijk voor bevindingen uit het orthopedagogisch onderzoek en draagt zij ook verantwoordelijkheid voor een zorgvuldige uitvoering van dat deel van het onderzoek en de verslaglegging hierover.

5.4 De voorliggende vraag is of het onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en of het verslag aan de eisen van zorgvuldigheid voldoet waaraan een arts behoort te voldoen. Het college is van oordeel dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord en overweegt daartoe als volgt:

5.5 Klager stelt zich op het standpunt dat de informatie in het verslag eenzijdig is. Verweerster heeft ter terechtzitting verklaard dat zij niet aan waarheidsvinding doet. Het is volgens verweerster niet aan haar, als arts, om een oordeel te vellen over de (de juistheid) van de aangeleverde informatie door de moeder van de minderjarige. Deze informatie vormt derhalve volgens verweerster geen onderdeel van het (kinder-)geneeskundig onderzoek en speelt ook geen rol bij beantwoording van de vraag of seksueel misbruik al dan niet waarschijnlijk is. Het college stelt echter vast dat het verslag voor meer dan de helft uit informatie van de moeder van de minderjarige en haar nieuwe partner bestaat. Klager is in het geheel niet betrokken in het onderzoek. Dit terwijl de richtlijn ‘Diagnostiek bij (een vermoeden van) Seksueel Misbruik bij Kinderen’ expliciet voorschrijft dat niet alleen aan beide ‘vechtscheidende’ gezagdragende ouders toestemming moet worden gevraagd voor het onderzoek naar seksueel misbruik maar dat ook met beide ouders gesproken moet worden. Dit is nu juist bedoeld om een neutrale positie te houden ten opzichte van beide ouders en om het gevaar eenzijdig geïnformeerd te worden te voorkomen. Door enerzijds veel aandacht te besteden aan het verhaal van de moeder van de minderjarige, en anderzijds vader buiten het onderzoek te houden heeft verweerster de schijn gewekt dat de informatie van moeder wel degelijk een rol van betekenis heeft gespeeld bij de beantwoording van de onderzoeksvraag.

5.6 Daarnaast wordt in het verslag bij de medische voorgeschiedenis informatie niet correct en onvolledig weergegeven. Bij het lezen van die informatie kan de indruk ontstaan dat er al eerder sprake was van een verdenking van seksueel misbruik.
In het verslag staat:
medische voorgeschiedenis
-Ziek, presentatie O
Opmerking: 1 jaar oud, op O vond men reactie bij genitaal onderzoek vreemd, teruggekoppeld naar HA”

In de door klager overgelegde uitdraai van het bezoek aan de huisartsenpost staat hierover:
(…)O/ top tot teen: geen afw
uitwendig ; temp 36.0 ; huilt en stribbelt tegen als ze moet
liggen ; longen/buik/billen: ga (geen afwijkingen (toegevoegd college)); vagina : rode plekjes
introitus ; verder gb (geen bijzonderheden (toegevoegd college)); kindje is erg stil en teruggetrokken.
(E) (BOU) problemen in relatie ouders.
(P) (BOU) voor nu BV bljven geven; advies aan oma en moeder AMK
in
te schakelen/ advies aan M. om afspraak te maken met eigen
ha/
sputovamo nu wel oke/ maar problematische situatie”

5.7 Voorts berusten de stellige conclusies die verweerster trekt in het verslag op een onderzoeksmethode, O, die nog niet is gevalideerd en vooralsnog alleen wordt gebruikt in het E. Gelet op het gegeven dat, zoals verweerster zelf ook stelt, onderzoek naar seksueel misbruik bij kinderen zeer complex is, had het op de weg van verweerster gelegen om in het verslag minder stellig te zijn in haar conclusie en in ieder geval te motiveren waarom zij gebruik maakt van een niet (geheel) gevalideerde onderzoeksmethode en waarom haar conclusies desondanks als juist moeten worden aanvaard.

5.8 Verweerster heeft verder ter terechtzitting verklaard dat zij klager in haar conclusie niet heeft beschuldigd van seksueel misbruik en/of aangewezen heeft als (mogelijke) dader. Het college komt tot een ander oordeel. In het verslag van 1 december 2015 staat:
In verband met het niet verstoren van het mogelijk politieonderzoek biologische vader niet ingelicht over dit consult. Dit is afgestemd met J, lid medische directie.”

In een brief van 9 december 2015 aan de huisarts over het onderzoek op 1 december 2015 staat:
In verband met de veiligheid van onze patiënt adviseren wij dat zij gedurende het nog lopende onderzoek van I haar biologische vader niet bezoekt.”

Hiermee is verweerster in haar verslaglegging aan de huisarts buiten haar expertise getreden en heeft zij zich niet beperkt tot het verstrekken van feitelijke en relevante medische gegevens, zoals de richtlijnen en jurisprudentie wel vereisen.

5.9 De conclusie van het voorgaande is dat verweerster onzorgvuldig is geweest ten aanzien van de totstandkoming van het verslag. Daarmee is de klacht in al zijn onderdelen gegrond.
Verweerster heeft gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge art. 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klager had behoren te betrachten.
5.10  Al het voorgaande in overweging nemende en gelet op het feit dat de klacht gegrond is bevonden, is het college van oordeel dat verweerster dient te worden berispt.
Bij het bepalen van de aard van de maatregel heeft het college in aanmerking genomen de ernst en het gewicht van de verweten gedragingen. Ook weegt mee dat verweerster ter zitting onvoldoende blijk gaf van enige reflectie op het eigen handelen. Verweerster had op grond van haar ervaring moeten weten wat het effect en de consequenties zijn van haar verslag gezien haar deskundigheid en expertstatus. Bij het opstellen van het verslag, vooral ten aanzien van de stellige conclusies, had verweerster zich er meer rekenschap van moeten geven hoe moeilijk het is om seksueel misbruik vast te stellen. Zij geeft op dit punt naar het oordeel van het college onvoldoende blijk van enige reserves. Bovendien had verweerster zich bij het schrijven van het verslag moeten realiseren in welke context haar verslaglegging gebruikt zou kunnen worden en dat het verslag ingebracht kon worden in verschillende gerechtelijke procedures.

6. De beslissing

Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt op de maatregel van berisping.

Aldus beslist op 19 september 2017 door:
mr. A.M. Koene, voorzitter,
dr. C.M. Sonnenberg, D.E. de Jong en K. Haasnoot, leden-arts,
mr. dr. R.E. van Hellemondt, lid-jurist,
bijgestaan door mr. P.J. van Vliet, secretaris,
en in het openbaar uitgesproken ter zitting van 31 oktober 2017 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.

WG WG
secretaris voorzitter


Enige opmerkingen met betrekking tot gearceerde delen.

Aangeklaagde

probeert zich te verschuilen achter anderen, in dit geval de orthopedagogisch medewerkster.
baseert zich op informatie die alleen van moeder verkregen, vader staat geheel buiten spel.
houdt zich niet aan geldende regels van onderzoek en protocollen in verband met verdenking op misbruik.
doet niet aan waarheidsvinding en gaat er klakkeloos van uit dat wat moeder en haar nieuwe partner aandragen juist is.
gebruikt niet gevalideerde onderzoekmethodieken, die alleen in het ziekenhuis waar zij werkt gebruikt worden.
is zeer stellig en zelfverzekerd over haar eigen gelijk.
heeft bovendien geen enkele zelfreflectie....


Juist dat laatste is voor het RTvG aanleiding om haar zelfs een berisping op te leggen, met enige spijt, berouw of zelfreflexie had de straf misschien lager geweest....

Het resultaat van deze uitspraak in het openbare BIG-register:

Details zorgverlener

A.H. Teeuw   Vrouw


89024228701 Arts Kindergeneeskunde (kinderarts)
Maatregel

Bij de inschrijving in het register van artsen is per 13 december 2017 aangetekend dat deze zorgverlener een berisping is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege: afgifte van een onjuiste verklaring of rapport.----------------------------------------------------------------------------












Mw. dr. Teeuw had wel direct een jeugdzorg c.q. Veilig Thuis medewerkster kunnen zijn: haar handelen lijkt er door ingegeven. Zei een oude uitdrukking niet 'Waar je mee omgaat word je door besmet'??

Ik feliciteer mw. dr. Teeuw met haar doctorsbul c.q. titel, maar hoop toch dat de berisping van het RTvG aanleiding is dat zij haar handelen beter nuanceert en aan de regels houdt!

Moge meerdere uitspraken van tuchtcolleges volgen om eens paal en perk te stellen aan het valselijk beschuldigen van ouders ten bate van de geldstromen naar Veilig Thuis en 'Jeugdzorg'!

Treurig is dat deze hele zaken illustreren hoe weinig nog artsen te vertrouwen zijn als men dit (als geïllustreerd in het artikel 'Oorlog met Veilig Thuis' en in bovenstaande uitspraak) en meer beschuldigingen van kindermishandeling kan verwachten 'dank zij' dr. Teeuw en haar volgelingen. Wat zou de KNMG  (Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst) hiervan vinden? Die lijkt oorverdovend stil in jeugdzorgkwesties.

Uiteraard zal ik over een week of 5 de uitspraak over de zaak van mw. Raat en de kinderarts van het WKZ hier linken dan wel geheel aanhalen.

Ceterum censeo 'Veilig Thuis' / BJZ esse delendam (naar Cato Maior)

Nico Mul







Geen opmerkingen:

Een reactie posten